Ergens in Noord-Schotland, letterlijk in the middle of nowhere, stonden ze daar, de iconische rode telefooncel van BT en een witte houten vitrine voor lokale publicaties. 

Means of communication. Old school allebei, maar iconisch.


Waar gaat dit over?  Over vormgeving, over goed kijken.

En over contact.

De rode telefooncel wordt, net als de even-rode en even Britse dubbeldek-bus, de zwarte cab en dito bolhoed, wereldwijd bekend en herkend; ze hebben een vorm gekregen die functioneel moet zijn ontstaan maar die inmiddels veel verder draagt, veel langer en veel-zeggender aan ons vertelt waar en waarvoor ze dienen.

The telephone box is in 1935 in deze vorm ontworpen ter gelegenheid van een koninklijk jubileum; hij heeft een daarbij gepaste statige hoogte gekregen, die in latere ontwerpen, waar ook ter wereld niet meer werd bereikt.

De box is royaal in het rood gehuld, van top tot teen, een praktische keuze waarschijnlijk omdat dan slechts één kleur nodig is bij onderhoud (de huisstijl-kleur van het post- en telefoonbedrijf). Maar het versterkt ook de vorm en het maakt de box zichtbaar over grote afstand, onderscheidend in elk landschap en weertype.

Het bol naar de hoeken aflopende dakje dat de vele regen laat weglopen naar de hoeken.

Het glas met de rustige, stabiele roedeverdeling: de verticalen zijn -ten opzichte van een eerder ontwerp met gelijke glasvlakken-  iets uit het midden geschoven waardoor een breder blikveld mogelijk is.

En net onder het bolle hoedje aan elke zijde nog een brede glasstrook met de tekst Telephone die (voor wie nog niet weet waar deze rode box voor dient) in alle windrichtingen en uren van de dag door de binnenverlichting leesbaar wordt gemaakt.

Op de foto staat naast dit rode baken een witte vitrine, zo wit nog, tegen de al wat vervalende palen waar de kast aan is opgehangen, dat de kast net lijkt geplaatst of het onderhoud niet lang geleden uitgevoerd.

Het driezijdig frame om de vitrinedeur is dun, strak en prozaisch, niet meer dan hout op voorraad-dikte, ter afscherming van water dat van boven of met de wind erbij ook van de zijkant kan binnendringen.

De vitrinedeur is van kunststof, de zwarte randen om het glas en de net iets te veel tekende versteknaden verraden dat voor onverwoestbaar materiaal is gekozen, wat hier op deze plek net zo begrijpelijk is als out-of-place.

En het raamgreepje, ach ja, het raamgreepje; wat zegt dat nou?

‘Ik ben er ook maar opgezet, sorry, ik zit hier om de vitrine te openen, ik heb een slotje, dat is dat zwarte oogje, maar ik weet niet meer of je mij nou moet draaien of omhoog hevelen, of allebei. Ik zou ook liever ergens in een woonhuis zitten, maar ik moest mee met het raam.’

Het hele vitrinekastje hangt ook vrij laag, het greepje en zijn handlanger vinden de elleboog-hoogte waarschijnlijk wel prettig, maar de passerende lezer moet zich voorover of door de knieen buigen om zijn hoofd tot voor het glas te krijgen en in de vitrine te kunnen lezen wat gepubliceerd is.

Maar toch, juist door zijn stralend witte verschijning is deze vitrine, op deze plek, zijn rode metgezel de baas.

Waar de telefoon in de box stukgeslagen is en de wereld buiten bereik, is de vitrine gevuld, met actuele informatie zelfs. Waar deze informatie naar verwijst, is niet in de directe omgeving te zien of te vinden, daarvoor moet je verder reizen. Maar geen betere plek dan naast dit rode baken voor communicatie over toekomstige gebeurtenissen in de wijde omtrek.

Tot zover het kijken. En het lezen van de vorm.