Zweedse laarzen en de nieuwe ruimte in het bosbeheer

 

“Heb je geen laarzen?” vroeg één van de twee wachtende vrijwilligers.

Ik volgde zijn blik naar mijn voeten. In mijn bergschoenen, niet goed dus. Ik bedacht me dat ik, ondanks vele keren vooraf bedenken dat ik de voorzorg moest nemen, toch nog vergeten was om mijn laarzen (natuurlijk heb ik laarzen, zo’n omgevingsvreemde ben ik nou ook weer niet) achter in mijn auto te zetten.

“Is dat nodig dan?” vroeg ik, om tijd te winnen maar die vraag maakte mijn groenheid alleen maar groter en ik voegde er zelfs nog aan toe: “Alexander zei dat bergschoenen ook wel kon”.  Die woorden verdwenen gelukkig, nauwelijks gehoord, in de weidse leegte toen er vier, vijf anderen aankwamen op de afgesproken ontmoetingsplek, ergens in het open landschap tussen de Rottige Meente en de Tsjonger.

“Hoge laarzen. En een regenbroek zodat je broek niet nat wordt. Dat is het beste”.

“Lieslaarzen, zoals deze, dan heb je helemaal nergens last van”.

Het was het begin van mijn eerste dag als vrijwilliger bij Staatsbosbeheer, team Rottige Meente. Ik ben niet zo goed in eerste dagen of eerste keren. Die beginnen al een week vooraf in mijn hoofd te spoken. En hoeveel ik ook overdenk naar die aanzwellende eerste keer toe – heb, doe, draag, zeg ik straks wel het juiste? – ik ontkom nooit aan het gevoel duidelijk voor het eerst te zijn, onervaren, groen. Niet cool. Maar ik ben op zoek naar ruimte in mijn tot nu toe monomane architectenbestaan, dus ik zet door, zoals ik al zo vaak heb gedaan.

“Wie heeft het gereedschap?” Dat ligt in mijn auto, zeg ik. De boswachter-mentor van de groep heeft griep en had in de app-groep gevraagd wie het gereedschap kon meenemen. Ik kan het wel komen halen, had ik aangeboden en zo ontgroende ik mijzelf een beetje.

We gingen aan de slag, rugzak op, stoeltje en gereedschap in de hand (ieder een handzaag en snoeitang, één zaag op lange stok), over het weiland, over of door greppels en door rietstroken.

Op weg naar de smalle bosrand waarin een paar corridors gemaakt moeten worden voor de vuurvlinder. De grond golft hier en daar onder mijn voeten, een dunne laag sponsachtig oud groen. Met droge voeten bereik ik de plek waar we de rugzakken en stoeltjes neerzetten om aan nummer 3 van de vier corridors te gaan werken. Om ons heen alleen de stille maartse ochtend.

Er staan berken, wilgen, eiken, in allerlei formaten. En wij, met alleen handgereedschap. Uit veiligheidsoverwegingen en om de rust niet te verstoren werken we niet met motorzagen. Ik vind het best, ik voel me net als in Frankrijk, heerlijk, sous-equipé maar fysiek tot veel in staat.

Alles boven schouderhoogte en alle jonge uitloop moet weg, tot zo dicht mogelijk bij de grond, behalve de gagel. Dat blijkt een ongeveer manshoge struik met roodbruine takken en knoppen te zijn. Die is beschermd. Net als de grote vuurvlinder.

Die vuurvlinder vliegt kennelijk niet erg hoog of ver en heeft wat hulp nodig om in het korte leven naar een andere waterkant te kunnen vliegen dan waar hij of zij ontpopt is, waardoor het verspreidingsgebied groter wordt en zo, misschien, de zeldzame status niet steeds benauwder wordt.

Terwijl ik op mijn knieën en zagend aan de twijgen van een struikachtige wilg nadenk over deze vorm van natuurbeheer en de ruimtelijke kanten van het begrip ‘corridor’ hoor ik achter me: “Je moet niet duwen maar trekken. Het is een trekzaag.” Ik kijk naar de korte stalen zaag met het gekromde handvat in mijn gehandschoende hand. “Je moet niet op de gewone manier zagen, ..” legt de behulpzame, meer ervaren mede-vrijwilliger nog uit en verontschuldigt daarmee een beetje mijn groenheid. Als ik zijn advies opvolg gaat mijn gezaag ineens veel gemakkelijker. Het herinnert me aan het gevoel toen ik op 10-jarige leeftijd mijn friese houtjes aan de zijkant van mijn kaplaarzen inruilde voor een paar echte noren. De blaar aan de binnenkant van mijn wijsvinger zeurt ook niet meer over deze andere beweegrichting. Vol van dit gevonden gemak durf ik zelfs een meer dan 20 cm dikke en metershoge boom uit te kiezen en te vellen. Bij het wegslepen van stam en takken naar de zijkanten van de corridor zak ik tot over mijn enkels door de groene drab, maar mijn bergschoenen houden het water buiten. De rest van de dag voel ik me onder anderen sterk, onverschrokken en niet door naar-verrotting-stinkend-moeras-watervrees geremd.

Als de dag ten einde is hebben we een aardig vrije corridor gemaakt en keren we terug naar de verzamelplaats, waar onze auto’s en fietsen staan. Het gereedschap gaat weer in mijn auto; met natte schoenen en knieën, maar droge sokken en een mosgroen geworden broek en jas rijd ik naar huis. “Volgende week doe ik mijn laarzen aan.” vertel ik als ik thuiskom.

In de schuur staan een paar zwarte Dunlop laarzen, die ik veel heb gebruikt bij ons huis in Frankrijk. Veiligheidslaarzen, stalen neuzen, ruime schacht; type olieplatform. Ze sloffen een beetje dus ik draag ze met laarzensokken en een van de hakken maakt een soppend, slurpend geluid. Misschien moet je een paar nieuwe kopen, die beter passen, raadt mijn vrouw me aan. Omdat ik in al mijn